Berlijn (1)

BerlijnIk ben weer terug. Ik heb een erg leuke tijd in Berlijn gehad en ik maakte indruk met mijn steenkolenduits. Vooral Fliegfeld vonden de Berlijners erg leuk en toen ik aan de taxichauffeur vroeg of hij um kon fahren, keek hij met grote ogen naar mij via de achteruitkijkspiegel, want ze vragen hem niet elke dag om iemand omver te rijden. De kinderen met wie ik werkte waren lief. We maakten tekeningen en ik zei voortdurend: wir gehen weiter. Daarmee bedoelde ik dat we verder gingen met tekenen, maar achteraf hoorde ik dat ik zei dat we verder moesten lxc3xb3pen, en dat ik eigenlijk had moeten zeggen: wir machen weiter. Maar geen enkel kind corrigeerde mij. Dat deden alleen volwassenen.

Nu moeten jullie niet denken dat mijn Duits hxc3xa9xc3xa9l erg beroerd is. Ik kan me goed verstaanbaar maken, en dat komt deels doordat het me helemaal niet kan schelen dat ik fouten maak. Ik durf gewoon Duits te praten, omdat ik het veel te lastig vind om mijn betoog steeds te moeten onderbreken voor een tolk. Ik zeg dem en den door elkaar en plaats umlauten verkeerd, waardoor woorden een totaal andere betekenis krijgen, maar het lukte vrijwel altijd om de boodschap over te brengen, en door de fouten die ik maakte was het vaak onbedoeld nog grappig ook wat ik zei. Bovendien stelt men het op prijs dat je probeert om in hun taal te praten. Daarom heb ik niet geaarzeld en ben er gewoon vol voor gegaan. Ik weet natuurlijk best dat mensen die de taal niet goed spreken dom over kunnen komen, maar met een beetje flair en durf kom je een heel eind. Het hoogtepunt was, denk ik, een zaal met 260 negenjarige kinderen. Ik had van alle kanten assistentie gekregen: een presentator, een acteur die mijn gedichten in het Duits voordroeg en een tolk. Maar in Nederland heb ik geen presentator nodig en ook geen acteur die mijn werk voorleest, dus dat deed ik zoveel mogelijk zelf. Al was het leuk om eerst mijn gedicht in het Duits te horen voordragen door een professionele acteur, en daarna zelf de Nederlandse versie voor te lezen – de kinderen probeerden het Nederlands zo goed mogelijk te verstaan, waardoor poxc3xabzie ineens een spelletje werd.

Het was fijn dat ik een tolk had, want wat wel erg op kan houden is als je vruchteloos op zoek bent naar een woord waar je geen alternatief voor kunt vinden. Dan hoefde ik maar even naar de tolk te kijken en dan kreeg ik het woord aangereikt dat ik zocht. Zij was ook nodig toen ik met kinderen tekeningen maakte. De kinderen wilden dat ik een Meerschweinchen tekende. Ik had geen idee wat een zeezwijntje is. Weten jullie het? Niet opzoeken, hoor!

8 thoughts on “Berlijn (1)

  1. Het is een cavia. En dat is een dier dat ik niet kan tekenen, net zo min als een hamster en een marmot.